In deze eerste 10 jaren is de basis gelegd voor de verankering van de sportraad in de Drentse samenleving. Het was de pioniersfase, en ook de eerste grote bloeiperiode, waarin de organisatie een belangrijke rol had bij de ‘installatie van belangrijke hardware’, zoals we de vele sportaccommodaties vandaag de dag zouden noemen.

Hieronder kunt u lezen hoe de beginfase er uit heeft gezien.

In het jubileumboek kwamen de bestuurs- en directieleden en oud-medewerkers aan het woord. Hun verhalen leest u hier:

Klaas de Boer | eerste voorzitter van de Sportraad Drenthe “Wij waren goedwillende amateurs”

Ivo Opstelten | voorzitter van eind 1974 tot eind 1977 “Wij konden onze ambities waar maken”

Martin Mallon | eerste directeur van de Sportraad Drenthe “Zonder acceptatie bereik je niets”

Wim Admiraal | medewerker vanaf 1972 “Geweldige sfeer en gedrevenheid”

Clary Crajé | werkte in 2008 al 37 jaar voor de organisatie “Het edele handwerk is verdwenen”

Franse schrijver roept op tot verantwoordelijke rol van sporter

De eerste echte secretaris van de Stichting Sportraad Drenthe, ir. M. Tamminga (†), liet in 1968 een belangwekkend document na waarin hij het ontstaan van de Sportraad heel treffend onder woorden brengt. Hij refereert aan de in die jaren nog bestaande beslotenheid van de sportwereld, die “op den duur geen stand zou kunnen houden.” Tamminga maakt melding van “ontwikkelingen op maatschappelijk gebied die een groeiend aantal mensen in de gelegenheid stelt deel te nemen aan het sportleven, terwijl anderzijds vooral de overheid steeds meer ging inzien dat sportbeoefening en lichamelijke vorming zeer belangrijke aspecten vormen van het welzijnsbeleid.” Hoe wonderwel past die opvatting bij die van anno 2008, het jaar waarin sport en gezondheid elkaar zo duidelijk (dienen te) versterken. De toenmalige minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk CRM), mr. M. (Marga) Klompé legde ook toen al de nadruk op welzijnsbevordering voor jeugd en volwassenen door een “duidelijke plaats te geven aan lichaamsbeleving en sportbeoefening.”

Gecoördineerde aanpak

Daarvoor was dan wel een gecoördineerde aanpak nodig tussen de diverse sectoren, vond de minister en was een gemeentelijke aanpak alleen niet voldoende. Ook een nauwe samenwerking met de sportwereld was in haar ogen onmisbaar. Dit leidde er toe dat op gemeentelijk niveau plaatselijke overlegorganen in het leven werden geroepen, waarin overheidsvertegenwoordigers en sportmensen samenwerkten. Analoog aan die ontwikkeling op gemeentelijk niveau ontstond ook bij het provinciaal bestuur behoefte aan een beter contact met de sportwereld. Dit leidde aanvankelijk tot de oprichting van een provinciale commissie voor lichamelijke opvoeding en sport, maar toen de sport zich meer en meer bewust werd van haar maatschappelijke rol kwamen er andere initiatieven tot stand. Op gemeentelijk- en provinciaal niveau. Zeeland was in 1959 de eerste provincie waar regionale bonden een provinciale sportraad in het leven riepen, gevolgd door Noord-Holland en Groningen in 1962, Friesland, Gelderland en Utrecht in 1965, Zuid Holland in 1967 en Limburg in 1968. Het werd dus de hoogste tijd dat de provincie Drenthe ook initiatieven ontplooide.

‘Gemakkelijke’ verbindingen

De toenmalige Drentse gedeputeerde, G. Londo, twijfelde overigens aan de wil van de sportbonden in zijn provincie of ze wel wilden samenwerken in een provinciale sportraad. “Ik heb nimmer een positieve reactie ontvangen. Er is wel een schriftelijk verzoek geweest tot de oprichting van een sportraad, maar dat verzoek is nooit door anderen ondersteund.”

Er werd toen in Drenthe nog van uitgegaan dat een sportraad geen dringende noodzaak was omdat over het algemeen de verbindingen met bestuurlijke instanties in deze provincie nogal ‘gemakkelijk’ lagen. Maar kennelijk zette Londo met zijn uitspraken in de Drentse Staten de sportbestuurders toch aan het denken, want op 6 april 1968 werd in Assen een bijeenkomst gehouden waar de voorzitter van de Groninger Sportraad de aanwezigen, waaronder de initiatiefnemers van de bijeenkomst, A. Seidel, voorzitter van de Asser Sportraad en atletiekunie, A.W. Grootjans namens de Christelijke Sport Unie, alsmede voorzitters van Drentse regionale bonden, te weten mr. K. (Klaas) de Boer (tennisbond), G.A. Houwer (gymnastiekverbond), E.W. de Fiellietaz Goethart (voetbalbond), D. Oosten (korfbalbond) en F. Wijk (handbalverbond) informatie verstrekte omtrent doel en werkwijze van een provinciale sportraad. Met instemming werd door de aanwezigen gereageerd op deze uiteenzetting en het gevolg was de vorming van een werkgroep die de oprichting van de Stichting Sportraad Drenthe moest voorbereiden.

16 november 1968 was de grote dag: nagenoeg alle regionale sportbonden in Drenthe stemden in met de oprichting en daarmee was ook in Drenthe een functionele raad voor de sport tot stand gekomen. Mr. K. de Boer werd de eerste voorzitter, G.A. Houwer de eerste penningmeester.

Doel en werkwijze van de Sportraad Drenthe waren vrijwel dezelfde als die van de overige sportraden in ons land: orgaan voor overleg en advies ten dienste van particuliere organisaties en personen alsmede van de overheid, het geven van voorlichting, het bevorderen van de samenwerking tussen de sportorganisaties, het behartigen van de belangen van de sportorganisaties, het stimuleren van sportontwikkelingen.

Toenmalig secretaris Tamminga kan zijn ‘oprichtingsdocument’ met tevredenheid afsluiten: “de Franse schrijver Georges Magnane (destijds een sportman van formaat) beëindigde zijn boek ‘Sociologie van de sport’ met de uitspraak ‘dat de sportbeoefenaar zich bewust wordt van zijn rol en zijn verantwoordelijkheid in de maatschappij.’ Met de oprichting van de sportraad leveren de Drentse sportbeoefenaren het bewijs dat zij zich steeds meer bewust worden van de verantwoordelijkheid die zij hebben in de maatschappij.”

De Nederlandse Sport Federatie was blij met de oprichting van de Drentse Sportraad en zegde 1000 gulden toe voor de oprichtingskosten.

Een minder gunstig bericht was er voor de Asser gehandicaptensportclub Sc Bartje die graag lid wilde worden van de sportraad. Helaas kwam er een afwijzing: de sportraad was niet bedoeld voor verenigingen.

Overigens gaven 25 bonden acte de présence op de oprichtingsvergadering.

Eerste kantoor

De Drentse sportraad werd al snel na de oprichting betrokken bij de oprichting van de Kunstijsbaan Drenthe. De eerste jaren was de samenwerking met de kunstijsbaan hecht en was er zelfs sprake van dat de directeur van de sportraad ook directeur van de kunstijsbaan zou worden. Zover is het niet gekomen. Wel betrok de sportraad in 1971 een kantoor in het complex van de ijsbaan. Daarvoor was het secretariaat/bureau van de sportraad gehuisvest in het huis van de secretaris aan de Beilerstraat in Assen, vervolgens ten huize van de eerste directeur (Mallon) in Hoogeveen en later in het gebouw van het toenmalige Opbouw Drenthe in Assen.

Vooral ‘doe-orgaan’

Vanaf de oprichting manifesteert de Sportraad Drenthe zich vooral als ‘doe-orgaan’ en veel minder als overleginstantie. Wel wordt de Sportraad veelvuldig ingeschakeld bij het adviseren over de bouw van sporthallen en zwembaden. In de seizoenen 1968/1969 en 1969/1970 kunnen de eerste subsidies (totaal 64.500 gulden) worden verstrekt aan bonden die cursussen en bijeenkomsten voor kader willen organiseren. In deze periode wordt nog eens benadrukt dat de sportraad gedragen moet worden door de totale sport in Drenthe en dat er geen overheidsvertegenwoordigers deel van de raad zouden moeten uitmaken. Daar kwam in latere jaren evenwel verandering in, zoals overigens de structuur van de sportraad regelmatig ter discussie werd gesteld. Maar het organiseren van landelijk geïnitieerde acties is altijd een belangrijke taak gebleven. De TRIM-actie van de NSF was in dat kader een van de eerste activiteiten. Het bestuur van de sportraad distantieerde zich in de eerste jaren nadrukkelijk van de begeleiding van topsport. Men achtte dat geen taak voor de sportraad.

Nadat op 1 augustus 1970 Mallon als eerste directeur was aangesteld raakten de werkzaamheden van de sportraad in een stroomversnelling. Al in oktober van het jaar van zijn aanstelling klaagde de directeur over het feit dat hij “belemmerd werd in zijn werkzaamheden omdat hij niets concreets kan zeggen over de dienstverlening.” Mallon liet deze hartenkreet volgen door een beleidsnotitie waarin hij een groot aantal beleidsitems opsomde. Mallon en naderhand het sportraadbestuur, wilde daarbij vooral aansluiten bij het “grote geheel van het welzijnsbeleid, dat in Drenthe onder andere gedragen wordt door de Culturele Raad, de Jeugdraad en afdelingen van Opbouw Drenthe en alle instanties werkend op dit gebied. Samen moet een werkwijze gevonden worden die de samenleving ten goede zal komen.”

Huis van de Sport

Gevolg van de notitie van de sportraaddirecteur was onder meer dat de discussie over de feitelijke dienstverlening aan de bonden werd opgestart. Dat gebeurde in februari 1971, toen een werkgroep werd gevormd om te komen tot de oprichting van het Huis van de Sport, waar administratieve dienstverlening ten behoeve van aangesloten bonden kon worden uitgevoerd. Meteen ontstond ook de behoefte aan een extra administratieve kracht, maar het zou tot het najaar duren voordat die behoefte kon worden ingevuld.

In datzelfde jaar werd de eerste ‘stand van zakennotitie’ over het functioneren van de sportraad geproduceerd. Duidelijk werd dat vele taken, die in het beoogde pakket werkzaamheden van de sportraad waren opgenomen, ook daadwerkelijk waren uitgevoerd. Er bleven evenwel veel taken over waar weinig of geen aandacht aan geschonken is. Op het wensenlijstje stonden onder andere nog: verbetering van de sociale positie van sportleiders, bevordering subsidieregelingen jeugdsport, provinciale subsidieregelingen, het ontwikkelen van trimacties en andere recreatiesportactiviteiten en het introduceren van nieuwe sporten. Het bestuur van de sportraad achtte het op dat moment ook raadzaam om een tweetal vertegenwoordigers van de provinciale overheid in het bestuur te benoemen.

Samenwerking met kunstijsbaan

In juli 1971 werd samenwerking, ook in (incidentele) personele zin, met de Kunstijsbaan Drenthe gerealiseerd. De directeur van de Sportraad Drenthe maakte deel uit van het bestuur van de Kunstijsbaan. Tot een beoogd gecombineerd directeurschap van de sportraad en de kunstijsbaan kwam het niet, maar op 15 oktober betrok de sportraad wel een kantoor in het ijsbaancomplex. In dat kantoor werd ook plaats ingeruimd voor de eerste administratieve medewerker van de sportraad, C. (Clary) Crajé. Vanuit dit nieuwe ‘zenuwcentrum’ ontwikkelde de sportraad nieuwe initiatieven. ‘Denken en doen’ was de slogan die de sportraad voor zichzelf hanteerde. Voor de eerste keer werden met provinciale subsidies ABO (Algemene Basis Opleiding)-cursussen en bestuurskadercursussen georganiseerd naast alle bestaande activiteiten.

Gaat sportraad de verkeerde kant op?

De sportraad is door de jaren heen altijd kritisch gevolgd door de media. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw maakte het toen nog bestaande dagblad Het Vrije Volk regelmatig melding van de ontwikkelingen bij de sportraad. Eerst concludeerde de krant dat er erg veel werk aan de winkel zou zijn voor de organisatie en lieten de redacteuren die constatering vergezeld gaan van talloze goede raadgevingen. Later vroeg de krant zich, al “dolend door Drenthe” af of het bestuur van de sportraad niet de verkeerde kant op dreigde te gaan bij de plannen voor de aanleg van een kunstijsbaan in Assen. Citaat uit de krant: “Het is beangstigend dat het bestuur van de provinciale sportraad nauwelijks enkele weken na de definitieve oprichting van de raad, er al toe overgaat om geheime adviezen uit te brengen zonder de mening te vragen van de aangesloten leden.” Los van het feit dat de leden (lees: bonden) van de sportraad nauwelijks een mening zouden kunnen geven over dit initiatief bleek het naderhand allemaal ook niet zo’n vaart te lopen. Het was echter wel duidelijk dat de gangen van het sportraadbestuur kritisch werden gevolgd. Dat de ijsbaan er kwam is overigens niet alleen te danken aan het advies van de sportraad, maar ook aan de bemoeienissen van de NSF en KNSB, die hadden becijferd dat er in ons land plaats zou zijn voor wel 20 kunstijsbanen. Assen zou daar een van moeten zijn. Daarom adviseerde de NSF het college van Gedeputeerde Staten om de Drentse initiatiefnemers te steunen in hun streven.

Bonden aarzelen

Het jaar 1972 wordt gekenmerkt door een aantal ontwikkelingen die veel invloed hebben gehad op de latere jaren. Zo werkte de Nederlandse Invaliden Sportbond (NIS) aan de oprichting van een Drentse afdeling, die in samenwerking met de sportraad zou uitgroeien tot een van de belangrijkste afdelingen van het land.

Voor het eerst wordt er in de boezem van de sportraad gesproken over huisvesting in Beilen, waar met name de invulling van het Huis van de Sport, ten behoeve van de bonden, gestalte moet krijgen. Maar vooralsnog staan de meeste van de aangesloten bonden niet te trappelen om deel te nemen. De bonden zijn bang om hun zelfstandigheid te verliezen. Toch gaat de discussie door. Ook de provincie staat achter het initiatief: zij neemt 50% van de kosten voor haar rekening. De werkzaamheden van de sportraad nemen in dit jaar andermaal toe en er wordt besloten om J.W. Admiraal als nieuwe medewerker aan te stellen. Waarmee het totale aantal arbeidsplaatsen bij de Sportraad op drie komt.

Nieuwe initiatieven komen ook in 1973 tot stand. In Assen begint de discussie over de oprichting van een sportmedisch centrum. Het zou echter nog tot medio 1974 duren alvorens het centrum operationeel werd. Belangrijke ontwikkeling in 1973 was ook het tot stand komen van een subsidieregeling voor sporttechnisch kader, voor het geven van training en ondersteuning.

Stichting Sporttechnisch Kader

Op 18 maart 1974 vond de aanbesteding van de bouw van het Huis van de Sport plaats en in datzelfde jaar start de discussie over de oprichting van een provinciale Stichting Sporttechnisch Kader (Stichting STK). Die oprichting werd noodzakelijk geacht gezien de vele problemen die er waren gesignaleerd bij verenigingen. Uiteindelijk werd de stichting opgericht op 29 mei 1975. Voorzitter werd de burgemeester van Odoorn, H. Kreijkes. Daarmee kwam tevens een einde aan het functioneren van de Stichting Gymnastiekleiding Norg (Stichting Lanjouw), die al vanaf 1951 actief was geweest op het gebied van kadervoorziening. Er vielen in 1974 meer belangrijke momenten te noteren. Zo legde secretaris Tamminga zijn functie neer en kreeg de sportraad een nieuwe voorzitter in de persoon van I. (Ivo) Opstelten, destijds burgemeester van Dalen en anno 2008 (nog) van wereldstad Rotterdam. Hij mocht zich direct bezighouden met het geven van een antwoord op de prangende vraag die zich bij menigeen had opgedrongen: is het functioneren van de sportraad een aflopende zaak of zit er nog muziek in?

De vraag werd uiteindelijk positief beantwoord. De sportraad had wel degelijk een belangrijke functie, zelfs meer dan een. Wel was men algemeen van oordeel dat de taken die werden uitgevoerd (voorziening van sporttechnisch kader, het leggen en onderhouden van contacten met bonden, de advisering van de provincie met betrekking tot accommodaties en het ontwikkelen van recreatieve activiteiten) best wat meer publiciteit waard waren. Derhalve werd een informatiebulletin opgezet.

Het jaar 1975 ging de geschiedenis in als een succesvol cursusjaar. Wie kent ze niet, de Algemene Basis Opleiding (ABO), de bestuurskadercursussen en de opleiding Recreatiesportleider A. De sportraad timmerde er behoorlijk mee aan de weg in het voorjaar van 1975. In dat jaar groeide de Stichting STK al direct na de oprichting als kool. Vooral verenigingen aangesloten bij het KNGV (gymnastiekverbond) en het KNCGV (christelijk gymnastiekverbond) maakten gebruik van de diensten van de stichting. De toegenomen werkzaamheden leidden er toe dat de sportraad in 1976 schreeuwde om meer personeel, maar de begroting van dat jaar maakte de aanstelling van een extra medewerker nog niet mogelijk. Het totaal aan uitgaven was immers al 258.000 gulden… De provinciale overheid meende de grootte van de personeelsbezetting af te moeten meten aan de grootte van vergelijkbare stichtingen in andere provincies.

Nieuwe directeur

Tegenvaller was ook de afwijzing door de provincie van de eerste subsidie aan de Stichting STK voor de aanstelling van sporttechnisch kader bij verenigingen. De sportraad kreeg in dit jaar ook een nieuwe directeur. Mallon vertrok en zijn plaats werd vanaf 1 augustus ingenomen door H. (Han) van der Veen, die als sportambtenaar in enkele gemeenten zijn sporen in de sport al had verdiend. Voor hem zou een periode aanbreken waarin de ontwikkelingen in de sport ronduit stormachtig waren. Deels verantwoordelijk daarvoor was de provincie Drenthe, die in gedeputeerde D. (Daan) Huizinga (†) een warm pleitbezorger voor de sport had. Hij opperde ook het idee om een fulltime administrateur aan te stellen bij de Stichting STK, hetgeen per 1 januari 1978 werd geëffectueerd. Huizinga was trouwens ook de man die voorrekende dat de provincie Drenthe in de voorgaande vijf jaren voor ruim 22 miljoen gulden aan de bouw van nieuwe sportaccommodaties had meegewerkt.

Top(sport)discussie

Dat de sportraad ook de moed had om ‘over de grenzen’ te kijken, bleek wel toen in oktober 1976 een forumdiscussie werd georganiseerd waaraan landelijk aansprekende bestuurders/trainers/sporters als C. (Cees) Kerdel, de toenmalige voorzitter van het NOC, W. (Wil) Westphal, toptrainer atletiek en I. (Ingrid) Munneke-Dusseldorp, internationale toproeister, deelnamen. De discussie ging onder de titel ‘Realiteitszin van de Olympische Spelen’ over de randverschijnselen van de OS. Een vergelijking met de verschijnselen rond de Olympische Spelen in China eerder dit jaar dringt zich onwillekeurig op.

In 1977 bleek opnieuw dat de provincie Drenthe het goed voor had met de sport en met de Drentse sportraad. Voor het eerst werden subsidies verstrekt aan het Sport Medisch Advies Centrum (SMA) en de gehandicaptensport in de provincie. Dat opende meteen de mogelijkheid tot het organiseren van een internationaal toernooi voor gehandicapten in Beilen. Het werd een succes. In het begin van dat jaar werd voor het eerst de nota ‘Drents Sporthuis’ behandeld. (+ foto Drents Sporthuis) Later in het jaar komt het tot uitvoering van de plannen, ook al is de belangstelling van de kant van de bonden voor het Huis van de Sport niet massaal. Vijf bonden stapten in, mede dankzij een provinciale subsidie van 50% en een bijdrage van de Stichting Nationale Sporttotalisator (SNS). Toch wordt het functioneren later als “uitstekend” gekenmerkt en wordt vastgesteld dat het Huis van de Sport in een behoefte voorziet. Die ontwikkeling wordt niet meer meegemaakt door voorzitter Opstelten, die burgemeester wordt van Doorn en daarom per 1 oktober 1977 stopte bij de sportraad. Hij werd opgevolgd door de burgemeester van Ruinerwold, drs. J.A.G. van der Steur, die op zijn beurt in 1982 afscheid zou nemen. In dezelfde maand ziet het project ‘ISP Noorden des Lands’ het levenslicht. Letterlijk en figuurlijk betekent dat werk aan de winkel voor de sportraad omdat het een werkgelegenheidsproject is waarin arbeidsplaatsen in de sport moeten worden gecreëerd. Het project loopt parallel aan landelijke werkgelegenheidsplannen, waaraan de sportraad een bijdrage moet leveren.